Updike en Murakami: 2 schrijvers, 2 boeken, 4 manen

Naar het einde der tijden van John Updike speelt zich af in het jaar 2020. De tekst van deze roman is het dagboek van hoofdpersoon Ben Turnbull. Beginnend en eindigend met sneeuw beschrijft hij een jaar uit zijn leven, in zinnen die zich wellustig over de bladzij vertakken en waar geuren van een constant woekerende, uitbottende, en weer verrottende natuur welhaast fysiek uit op wasemen.

…en de ene dahlia was in mijn afwezigheid gegroeid en uitgedijd tot een kleine boom propvol bloemen met de blozende kleur van jonge schaamlippen. De tuin leek boosaardig aan het rotten geslagen: overal bevonden zich naamloze, loodgrijze aardwoekeringen, die grotten en vrijplaatsen vormden voor slakken en kraalbuikige hooiwagens met sierlijk geëvolueerde, giftige kaken.

Turnbull, zesenzestig jaar, gepensioneerd beleggingsadviseur, zoekt zijn weg nadat heftige gebeurtenissen de wereld hebben veranderd. Vage criminele bendes, maar ook een bedrijf als de FedEx, hebben overheidstaken overgenomen, innen belasting of bieden maffia-achtig bescherming. Ben Turnbull verzet zich tegen de naderende dood, speelt golf, denkt over kwantummechanica en probeert zich staande te houden naast zijn nog levenslustige vrouw.

Nergens wordt het door je strot geduwd dat je in de toekomst bent.  In dit boek geen futuristische apparaten of ‘beam me up Scotty’- achtige taferelen. Kleine ongerijmdheden vervreemden de sfeer en maken dat je je afvraagt: In wat voor een wereld ben ik beland? Een veranderde wereld waarin twee manen aan de hemel staan:

Boven mij, in een lucht die reeds het vaalblauw van de  middag vertoont, hangen twee manen: een halve, die het hemelsblauw absorbeert door haar dunne, poreuze breukvlak, en een kleinere, zelfs nog blekere en ijlere maan. Aangenomen dat de eerste, evenals de zon, ongeveer een halve graad beslaat van de honderdtachtig graden tellende hemelboog, neemt deze tweede hooguit een zesde graad in. Ze lijkt op een honingraad, met een paar nauwelijks zichtbare aanhangsels, stompe libellenvleugels.

Die twee manen komen bekend voor. Haruki Murakami laat ze opstijgen aan de nachthemels van zijn trilogie 1q84. Aomame kijkt er naar en weet dat ‘iets in de wereld is veranderd’.

Aan de hemel stonden twee manen. Een kleine maan, en een grote. Naast elkaar dreven ze door de lucht. De grote maan was dezelfde vertrouwde maan als altijd – een gele maan, bijna vol. Maar daarnaast hing nog een maan, een andere maan. Een maan met een ongewone vorm. Enigszins verwrongen, met een kleur alsof hij overgroeid was met dun groen mos. Dat was het tafereel dat ze aanschouwde.

1q84 speelt zich af in het jaar 1984. Een jaartal dat in ons verleden ligt, maar dat door de roman 1984 van George Orwell  nog altijd een toekomstachtige bijsmaak heeft. Vlak voordat Aomame in het begin van het eerste deel uit de taxi stapt om naast de snelweg  een stalen noodtrap af te dalen, waarschuwt de taxichauffeur haar: ‘Laat u door schijn niet bedriegen, er is altijd maar één realiteit’,  zegt hij. Maar wie Naar het einde der tijden of 1q84 leest, weet: Er zijn altijd meer realiteiten dan je denkt.

1q84 cover        updike cover

Illustratie boven: Julien Pacaud http://www.julienpacaud.com

Naar het einde der tijden, John Updike, 1997, De Arbeiderspers, vertaling Anneke van Huisseling, ISBN 9789029549943

1q84, Haruki Murakami, 2009, Atlas, vertaling Jaques Westerhoven, ISBN 9789045098616

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s