Enclave

‘Waarom doe ik het eigenlijk’, verzucht mijn lief bij vlagen. Dat kan ik begrijpen, ze is kunstenaar. Heb je net maanden werk in een expositie gestoken, meldt de suppoost verheugd dat er deze week ‘wel vier bezoekers’ waren. Dan mag je een vlaag hebben.

Twee weken geleden bezocht ik de Zin in Zondag poëziemiddag in de TAC tuin. Slalommend tussen horden in rood wit gehesen PSV-supporters had ik mij een weg gebaand over het fietspad tussen stadion en spoor om vervolgens mijn fiets vast te zetten voor TAC, waar de voetbaltsunami zojuist ongeveer drie miljoen plastic bierbekertjes aan land had geworpen. Nog buiten adem stapte ik naar binnen. In de tuin was het stil. Ik schoof een stoel aan en ging zitten. Verspreid over het gras koesterde een handvol publiek zich aan de zon. Twee kinderen renden rond het tafeltje waarop hun ouders glazen bier voor omvallen behoedden.

Toen begon het. Een lange man, Roel Weerheijm geheten, vertelde door een microfoon dat hij op de 22ste verdieping woonde. Daarna las hij gedichten voor. Die boden weidse uitzichten. Dat leek me logisch. Na het vierde gedicht moest hij iets kwijt. Hem was verweten dat er te weinig seks in zijn teksten zat. Daar had hij met het volgende gedicht iets aan gedaan. Het ging over ‘vrouwenonanie’. ‘Maar U kunt gerust zijn’, zei hij en keek verlegen naar de ouders, ‘het is niet expliciet.’

In wat hij voorlas maakte een vrouw op een balkon met trage bewegingen ‘van de middag een gedicht’. Expliciet of niet, ik zag het voor me.

Daarna zong singer-songwriter Joyce Deijnen. Zelfs de kinderen werden stil en luisterden met open monden. Nu en dan blies de wind een wolkje stadiongeluid naar binnen, maar dat gaf niet, de tuin was een enclave. En opeens wist ik waarom ze het deden, de dichter, de zangeres, de kunstenaar, mijn lief…  Om van doodgewone dagen een gedicht te maken.

 

Deze column verscheen eerder in het boekje van Zin in Zondag

Advertenties

Helder voor ogen

‘Wacht even, ik heb het bijna, het was…’ Uit alle macht probeerde Jamie zich het ritme te herinneren. Net had hij het nog, het ging… Ik zat in de kring met een groepje kinderen voor een workshop ‘Componeren in de klas’. Deze kinderen hadden een verstandelijke handicap, maar dat maakte niets uit, ze maakten muziek net als andere kinderen.Of tenminste, bijna.Twee meisjes in roze truien keken elkaar voortdurend glimlachend aan en ontlokten de meest mysterieuze geluiden aan de klankstaven. Een jongen hief zijn hoofd met een rukje van verbazing, telkens als hij een akkoord uit de accordeon haalde. Naast hem trommelde een klasgenoot achteloos de perfecte vierkwartsmaat.En dan Jamie. Hij bespeelde de bongo’s. En hoe! Zijn gecompliceerde ritmes leken rechtstreeks uit nog onontdekte gebieden van Afrika te komen. Hij was hevig teleurgesteld toen het hem later niet lukte zo’n ritme te herhalen. ‘Doe maar iets’, zei ik, ‘het maakt niet uit.’ Maar hij wendde zijn hoofd af en staarde met half weggedraaide ogen ergens bij zichzelf naar binnen. ’Hoe was het nou, wacht even, net had ik het nog…’

In zijn boek over Jean Sibelius schrijft Santeri Levas over ‘de stilte van Järvenpää’. Zo wordt de laatste periode uit het leven van de Finse componist genoemd. In die dertig jaar voegde Sibelius nauwelijks nieuwe werken aan zijn oeuvre toe. Hij dronk, hij ontving gasten, hij luisterde naar zijn eigen muziek over de radio en hij wandelde in de bossen rond zijn huis Ainola. Van over de hele wereld kreeg hij brieven waarin steeds die ene vraag terug kwam, was er al een achtste symfonie. Toen Santeri Levas zelf de stoute schoenen aantrok en hem er naar vroeg, antwoordde Sibelius dat hij altijd nog componeerde. ‘Mijn achtste is al heel vaak “af” geweest. ’s Nachts droom ik dat ik mijn symfonie dirigeer, die heb ik dan helder voor ogen.’

Het concert met de kinderen was een groot succes. Staande ovatie van de hele school. Kennelijk was ook Jamie tevreden. Toen hij de Bongo’s terug bracht, zei hij, ’Hoorde je dat, ik deed ’t!’

Eerder verschenen in deKlank januari 2013

Oude tijden

Op een avond eind december zag ik hem voor het van Abbe staan. Het was donker, het regende zacht, in de verte knalde vuurwerk. Dat kon hem niks schelen. Hij staarde onverzettelijk omhoog in de zwarte nachtlucht, zijn bronzen jas blonk mat in het licht van voorbijrijdende auto’s.

Het standbeeld dat Auguste Rodin van schrijver Honoré de Balzac maakte,  werd in 1965 door de gemeente Eindhoven aangekocht en in de tuin van het museum gezet. Daar ging een storm van protest aan vooraf. Het kostte 150.000 gulden. Dat was veel geld, zeker voor een kunstwerk, vandaar die storm.

Lang voordat hij standbeeld werd, schreef Honoré de Balzac in 1841 een boekje dat Fysionomie van de ambtenaar heet. Hij beschrijft daarin verschillende typen ambtenaren. Een daarvan heet de baantjesvergaarder, maar had ook goed de muzikant kunnen heten.  Zijn beschrijving gaat zo:

 Deze ambtenaar valt op door zijn vlijt. ’s Avonds is hij muzikant en speelt hij klarinet of hobo in de Opéra-Comique; van zeven tot negen is hij boekhouder bij een handelaar. Door in het theater in een stuk hout te blazen en ’s ochtends bloed en water te zweten, verdiend hij negenduizend frank. De baantjesvergaarder legt zich toe op de kunsten en zoekt omgang met kustenaars. Hij is verzot op het organiseren van concerten, waar alle ambtenaren van de afdeling vrijkaartjes voor krijgen, want vanwege de repetities moet hij uiterst toegeeflijk worden behandeld. Aangezien hij een heel goede muzikant is, gaat hij alleen naar generale repetities.

 Er zijn orkesten in Nederland die al snel een antwoord hadden op de bezuinigingen. Alle musici een 60% baan was daar een van. Zestig procent van een orkestsalaris is geen vetpot. In de veertig procent tijd die over blijft, zal moeten worden bijverdient. Dat een orkest in  perioden van een week werkt, maakt het lastig. Na drie weken fulltime repeteren en concerten geven, volgt een week met niets. Ik zie mezelf al solliciteren: ‘Ik heb af en toe een week de tijd, en oh ja, is er in uw bedrijf een ruimte waar ik in de pauze viool mag studeren?’

Oude tijden herleven. Men zal ons musici ‘uiterst toegeeflijk’ moeten behandelen. Eén geluk: Wij van Het Brabants Orkest zijn allemaal ‘hele goede muzikanten’. Dan houden we toch alleen nog  generale repetities.

Eerder verschenen in deKLank, tijdschrift van Het Brabants Orkest