‘Alsof Beethoven tot mij sprak…’

Haar Tawfiq componeerde in opdracht van philharmonie zuidnederland het orkestwerk Unificazione. Machiel Swillens zocht hem op in zijn woning in Tilburg. 

‘Ik kreeg opeens een mail van het orkest. Ze hadden mij geselecteerd om een stuk te schrijven. Een stuk voor philharmonie zuidnederland. Ik dacht meteen wauw, dat is geweldig!’

Hawar Tawfiq vult de waterkoker in de kleine keuken van zijn Tilburgse woning. Hij zet grote mokken op het aanrecht. Hij legt theezakjes klaar, en oploskoffie. ‘Sorry ik heb alleen deze koffie, is dat goed?’ Ondertussen vertelt hij over het stuk dat net af is. Hij heeft er een jaar aan gewerkt.

Op de ronde tafel in de woonkamer ligt de partituur. ‘Straks kunnen we ernaar luisteren,’ zegt hij.’ Ik heb een soort opname. Die klinkt afschuwelijk. Het orkest wordt gesimuleerd door de computer. In het echt klinkt het straks veel mooier, maar zo krijg je alvast een idee.’ Hij schuift de partituur naar het midden van de tafel en begint te vertellen.

‘Het stuk mocht twintig minuten duren. Naast mijn werk zou de negende symfonie van Beethoven worden gespeeld. Ik kon het instrumentarium van die symfonie gebruiken, én nog drie extra instrumenten. Ik koos harp, tuba, en een extra slagwerkspeler.’ Het ging om een nieuw stuk ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van de Europese Unie. Als thema kreeg hij vrijheid en democratie. ‘Ik had meteen ideeën. Democratie past goed bij orkest. Al die dialogen tussen de instrumenten. Maar ik moest iets concreets hebben…’

Altijd oorlog
Hawar Tawfiq werd geboren in Sulaimaniya in Noord Irak. In het Koerdische gedeelte. ‘Mijn land ligt verspreid over Irak, Iran, Turkije en Syrië.’ Terwijl hij opgroeide, was er eigenlijk altijd oorlog. Eerst de achtjarige oorlog tussen Iran en Irak. Een van zijn oudere broers moest in het leger maar weigerde. ‘Soldaten drongen de huizen binnen en controleerden iedereen op illegale dingen. Als het voorbij was, gingen we kijken of mijn broer niet was gearresteerd.’ Vaak ging de sirene als hij op school was. Binnen vijf minuten bombardementen. De leraar waarschuwde de kinderen zo snel mogelijk naar huis te gaan. Terwijl hij met zijn broer naar huis rende, sloegen de bommen in. Vervolgens de Golfoorlog en daarna een opstand in Koerdisch Noord Irak. ‘We waren min of meer bevrijd, maar er brak opnieuw een verschrikkelijke tijd aan. Verschillende politieke partijen bestreden elkaar. De oorlog ging gewoon verder.’

 Maar als het altijd oorlog is, gaat ook het leven door. ‘In de jaren zeventig en tachtig was westerse cultuur heel hip in Irak’, vertelt Hawar. ‘Jongeren lazen Russische literatuur en luisterden naar klassieke muziek. Mijn oudere broer probeerde ook te luisteren naar die muziek. Hij was kunstschilder. Hij wilde tegen zijn vrienden kunnen zeggen “ik luister naar Beethoven en Mozart”. Maar hij kon er niet naar luisteren.’ Wat zijn broer niet lukte, kon de kleine Hawar wel. ‘Mijn broer had een grote kelder onder ons huis. Daar kon hij schilderen en herrie maken. Als hij er niet was, ging ik naar beneden. Ik was een jaar of vijf. Ik luisterde in de kelder naar zijn cassettebandjes met de symfonieën van Beethoven. Die vond ik zo mooi. Zoveel klanken, zoveel laagjes!’

Daarmee begon het. Toen Hawar negen was, bracht zijn broer hem naar een muziekdocent. ‘Ik zei dat ik viool wilde spelen. Mijn moeder zag daar niets in. Hoewel mijn broer eigenlijk liever wilde dat ik ook schilder werd, nam hij het voor mij op. Geld voor een viool was er niet. Mijn zwager kocht zo’n made in Japan viool voor mij.’

Vioolles hebben was niet vanzelfsprekend. Er waren geen methodes. De docent had alleen het eerste leerboek. Zelf vond Hawar de bladmuziek van het vioolconcert van Paganini. ‘Ik dacht, niets is onmogelijk. Ik studeerde zes uur per dag. Ik was tien. Na een maand kwam ik in de muziek het woord solo tegen. Had ik alleen nog maar de orkestinleiding gedaan…’

Maar hij bleef studeren. Overal zocht hij naar klassieke muziek. Als iemand iets had, kopieerde hij dat op cassettebandjes. Wie de componisten waren wist hij niet. Hij zocht naar de melodieën in zijn Dictionary of musical themes. Een boek met 10.000 in notenschrift genoteerde thema’s. Een voor een ging hij ze af. Tot hij een melodie vond die hij kende. Zo ontdekte hij een van zijn lievelingsstukken. De tweede suite van Bach.

“De weg naar leven of dood…”
Toen hij vijftien was, kwam alles op losse schroeven te staan. Hawar raakte bevriend met een moslimmeisje. Hawars familie was niet moslim, maar behoorde tot de religieuze minderheid Kakai. Toen de vriendschap uitkwam, besloten de behoudende familieleden van het meisje tot eerwraak. Hawar was zijn leven niet zeker. Dat, en de constante dreiging van Saddams regime, dwongen hem te vluchten. ‘De weg naar Europa noemden ze bij ons “de weg naar leven of dood”. Ik dacht, als ik blijf, ga ik dood. Als ik ga, kan ik onderweg omkomen, maar dan heb ik ook een kans op leven.’ Tegen betaling namen smokkelaars hem en zesendertig andere vluchtelingen mee. De bergen in. Door de sneeuw, over de grens met Iran, richting Europa…

Eigenlijk zou hij doorreizen naar Zweden. Naar zijn zus. Maar toen hij na een barre tocht van drie maanden in Nijmegen bij kennissen belandde, besloot hij te blijven. ‘Ik zag mensen fietsen, en glimlachen op straat. Ik dacht, ik ben nu toch safe. Ik wil studeren. Laat ik hier blijven.’

Hij melde zich bij de vreemdelingendienst. Met een busje werd hij met andere vluchtelingen naar Oisterwijk gebracht. ‘Het was al nacht toen we aankwamen. Er was meteen ruzie in de rij. Toen ik aan de beurt was, vroeg ik direct of er een bibliotheek was. Ik was vijftien. Ik wilde de taal leren, studeren. Dat hadden ze in vijftien jaar nog nooit meegemaakt.’

Binnen een paar weken kon Hawar kleine gesprekken voeren in het Nederlands. ‘Ik moest van mezelf elke dag tien woorden leren. De lerares van de taalschool waar ik kwam, was heel verbaasd. ‘”Zó, al in het Nederlands…”  zei ze. Ze vroeg wat ik gedaan had in mijn land. Ik zei dat ik een beetje viool had gestudeerd. Zij zei: “Ik speel piano, maar we hebben hier een collega die viool speelt. Wacht, ik ga haar halen”’. De vioolspelende collega beloofde de volgende dag haar viool mee te nemen. Die nacht kon Hawar niet slapen. De volgende dag speelde hij op de viool. ‘”Maar”, zeiden ze, “jij speelt niet alleen een beetje”’

Hij mocht de viool lenen. Er werd woonruimte geregeld waar hij viool kon studeren. Hij nam vioolles. Op aanraden van Mieke, de taallerares, deed hij toelatingsexamen voor het conservatorium in Tilburg. Hij werd aangenomen. ‘Ik was zo blij! Ik deed technisch alles verkeerd, maar ze hoorden dat ik muzikaal was, dus gaven ze mij een kans.’

Eigen kleur
Naast viool studeerde Hawar compositie. ‘Ik had een pianostuk geschreven voor de verjaardag van Mieke. En later een werk voor mijn vioollerares Annemieke Corstens. Het ging zo makkelijk. Binnen een week had ik een stuk. Ik dacht, ik ben echt componist.’ Hij ging met zijn stuk naar Alexander Hrisanide, de compositiedocent, en speelde het voor hem. ‘“Het is mooi, maar het is ook zó naïef”, zei Hrisanide. Hij nam het hele stuk met mij door. Hier dit, daar dat. Toen ik de kamer uitliep was ik triest. Maar ik dacht ook, hij heeft het niet begrepen…’ Later werd het stuk ergens uitgevoerd. Hawar zat in de zaal en hoorde een man in de rij voor hem al na een minuut de melodie meezingen. ‘Hrisanide had gelijk, dacht ik toen. Mijn muziek is naïef. Ik ben teruggegaan en heb gevraagd of hij mij les wilde geven.’

De studie was zwaar. Het leven als vluchteling was verre van makkelijk. Zijn asielaanvraag werd afgewezen. Hij kreeg geen verblijfsvergunning, maar kon uiteindelijk toch blijven. Eerst op zijn studievisum, daarna omdat hij met vioolspelen en lesgeven in zijn eigen levensonderhoud voorzag. ‘Het niet hebben van een verblijfsvergunning heeft mij altijd achtervolgd. Het was psychisch moeilijk. Ik heb kansen gemist doordat ik niet kon reizen.’ Hawar werd door Daniel Barenboim uitgenodigd in het West-Eastern Divan Orchestra te komen spelen, maar hij mocht niet reizen. Hij won een prijs in Oslo voor zijn filmmuziek, maar kon die niet ophalen. Hij kon niet naar de VS toen de oud concertmeester van het Concertgebouworkest hem vroeg daar te komen studeren. ‘Vluchten is als een kankerbehandeling. Je bent van iets af, maar je krijgt iets anders. Je hoort nooit echt hier, maar ook niet meer daar. Maar, misschien is dat ook ergens goed voor’, zegt hij. ‘Ik heb een eigen kleur.’

In 2006 kreeg hij cum laude zijn bachelor titel viool. Twee jaar later behaalde hij ook zijn master met de hoogste onderscheiding. Viool én compositie. Hij vond werk aan de muziekschool en begon in professionele orkesten te spelen. Hij herinnert zich goed hoe hij bij Het Brabants Orkest voor het eerst de negende symfonie van Beethoven speelde. Hij was midden in de muziek die hij in de kelder in Irak zo eindeloos had beluisterd. ‘De tranen stroomden over mijn wangen. Het was alsof Beethoven tot mij sprak.’ Sinds begin 2014 heeft Hawar de Nederlandsche nationaliteit. Hij kreeg een paspoort.

Aan de ronde tafel in zijn huis in Tilburg slaat Hawar de partituur van zijn stuk open. Hij zet de muziek aan. Wijst met zijn vingers langs de notenbalken. Slaat de bladzijden om. ‘Het thema was vrijheid en democratie, maar ik zocht iets concreets… Bij Europa dacht ik aan drie dingen. De oude Grieken, met hun democratie die niet voor iedereen was, want ze hadden slaven. De bijbel, waar iedereen voor God gelijk is. En de Franse revolutie, die zegt, ja, iedereen is gelijk, maar niet door god of iets buitenaards, maar vanuit ons eigen menszijn.  Dat werd mijn inspiratie.’ Hawar benadrukt dat het alleen een uitgangspunt was. Iedereen mag in zijn muziek horen wat hij er zelf bij voelt. ‘Vroeger in Irak verstond ik niets van de tekst van het slotkoor in de negende Beethoven. En die symfonie werd er echt niet nóg mooier van toen ik later begreep waar de tekst over ging. Dat is de kracht van muziek.’

(Dit interview verscheen eerder in deKlank jaargang 4 nr.3 januari 2017)

Advertenties

Canto Ostinato in hout en metaal

‘Ik ben de tijd, en ik heb de tijd’, zei componist Simeon ten Holt (1923-2012) ooit in een Volkskrant interview. En in zekere zin gaat elke uitvoering van Canto Ostinato over tijd. Maar niet over de tijd van de klok. Canto Ostinato bevrijdt juist van de klok. Repeterende muzikale motieven, langzaam verschuivende lagen, steeds diezelfde puls. Ze doen de tijd als het ware oplossen, vloeibaar worden. In de woorden van Simeon ten Holt: ‘Tijd wordt tot ruimte, waarin het muzikale object gaat zweven’.

Voordat Simeon ten Holt Canto schreef, componeerde hij in een modernistische stijl, volgens strenge regels. Moeilijk toegankelijke, atonale muziek. Later noemde hij die periode zijn artistieke winter, zijn vriesnacht. De muziek die hij had gemaakt, bestempelde hij als muziek van hoofd en verstand. Maar toen opeens, tussen 1973 en 1976, componeerde hij in het diepste geheim iets heel anders. Voordat het Canto Ostinato heette, noemde hij het Perpetuum. Hij improviseerde op de piano. Daar begon het mee. Zijn artistieke winter ging langzaam over in een lente…

Vrijheid
Waar het idee vandaan kwam wist hij zelf niet. Volgens ten Holt was er geen allereerste gedachte. ‘Het ontstond uit een nevelvlek die geleidelijk uitkristalliseerde’, zei hij in een interview met Wilma de Rek. ‘Alles is ontstaan uit zo’n nevelvlek. De aarde, de sterren, en zo was het ook met dit stuk.’

Canto Ostinato is immens populair geworden. Het trok een steeds groter publiek. Mensen omschreven het als hypnotiserend, meditatief, troostend en helend. Men luisterde er zittend naar, maar ook liggend op matrasjes, met gesloten ogen, tijdens zogenaamde ligconcerten. Er werden recordaantallen cd’s verkocht.

Canto werd uitgevoerd in concertzalen en kerken, maar ook in stationshallen en parken. Steeds nieuwe versies. Steeds nieuwe combinaties van instrumenten. Twee, vier of zes piano’s. Marimba’s, saxofoonensemble, kerkorgel en beiaard. Want hoewel Simeon ten Holt zijn Canto Ostinato met de grootste precisie noteerde, gaf hij een eindeloze vrijheid aan de musici.

Simeon ten Holt schreef de partituur op grote vellen papier, met de hand, met een Rotring-pen. Een verfijnd handschrift. Centraal staan twee wat vetter geschreven notenbalken, daaronder en daarboven dunner geschreven varianten. Veel gedeelten zijn voorzien van herhalingstekens. Aan de musici de keuze welke varianten zij spelen, hoe vaak ze fragmenten herhalen en of ze die fluisterzacht dan wel voluit spelen.

Genieten
Zo is elke uitvoering van Canto Ostinato nieuw. De lengte varieert van zestig minuten tot meerdere uren. Deze uitvoering is dubbel uniek. Dit is de eerste keer dat het wordt gespeeld op vijf marimba’s en twee vibrafoons. De Percussion Friends maakten eerder een versie voor twee marimba’s, twee vibrafoons en piano. Met Ivo Janssen (piano) zetten ze die op cd. Speciaal voor dit TROMP-concert bij Piet Hein Eek vroegen zij de Franse slagwerkgroep SR9 om hen met drie marimba’s te versterken.

Ramon Lormans van Percussion Friends legt uit hoe dat ging. ‘Als je dit stuk met meerdere spelers doet, kun je dingen vastleggen, afspraken maken. Maar wij vinden het leuker om veel aan het toeval over te laten.’ Hij benadrukt dat Canto een grote concentratie vergt. ‘Het publiek mag wegdromen, wij moeten gefocust blijven. Hoewel…’, voegt hij eraan toe, ‘met zoveel spelers kan elk van ons misschien af en toe even rust nemen. Genieten van wat de anderen doen.’

Concert vond plaats op 23 november in het kader van TROMP @ Piet Hein Eek

Knuffelen met Mozart volgens Lachenmann

Helmut Lachenmann (geboren in 1935) laat orkestmusici de meest onverwachte geluiden en klankkleuren aan hun instrument ontlokken. Boven dat knisperende landschap van orkestgeluid breekt af en toe de hemel open. Dan hoor je een flard Mozart. Van een cd-speler.

‘Dat is hoe Mozarts muziek vandaag de dag tot ons komt’, vertelt Lachenmann. ‘Je bent onderweg en pikt een fragment op via de autoradio. Je loopt door een stad, ergens staat een raam open en in het voorbijgaan hoor je een paar maten Mozart. Ik hou zoveel van Mozart. Zijn muziek is het allermooist, maar als een lievelingspop is hij bijna kapot geknuffeld. Zó zit hij in mijn stuk.’

Lachenmann werkte deze week met musici van philharmonie zuidnederland aan zijn Accanto voor klarinet en orkest uit 1975. Zijn stuk is gedurfd en opwindend zoals hedendaagse muziek behoort te zijn. Het resultaat is donderdagavond 5 november in de Bosch te horen tijdens November Music.

Debuut cd van Gildas Delaporte ‘Feuilles Volantes’

Bert et Gildas 2 n&b

foto: Marleen Serné

De eerste keer dat ik hem hoorde zingen was zo’n tien jaar geleden in China. We waren op tournee met het orkest waarin we collega’s zijn. Het was nacht. We liepen in het donker door Beijing. Het had gestortregend en we waadden tot onze enkels door het water, maar het was warm en we waren aan de andere kant van de wereld, dus dat kon ons niet schelen. We gingen een café binnen dat na sluitingstijd nog open was. Er brandde licht. Binnen luisterden twee Chinese jongens naar een meisje dat aan een gitaar plukte. Hij vroeg: ‘May I?’ Het meisje gaf hem de gitaar, hij sloeg wat akkoorden aan en begon te zingen. De Chinese jongens en het meisje zwegen. De barvrouw stopte met poetsen en leunde over de bar.

Deze zomer bracht Gildas Delaporte zijn eerste cd met Franse chansons uit. Gildas was al contrabassist én beiaardier, maar nu dus ook nog chansonnier. Gildas ontpopt zich als een meesterlijk liedjesschrijver en zanger.
Al enige jaren componeert en zingt Gildas chansons op teksten van Franse dichters. Tal van deze prachtige, soms uitbundig vrolijke, dan weer ontroerend melancholieke  liedjes, zijn bijeengebracht op de cd met als titel: ‘Feuilles Volantes, chansons de poètes’.
Gildas laat zich begeleiden door Bert van den Brink op piano en accordeon. Een gouden greep. Bert, bekend van de jazzmuziek en meer, schittert in deze chansons met zijn fijnzinnige en levendige spel.
De teksten van bijna alle chansons zijn van de hand van beroemde  Franse dichters: Apollinaire (1880-1918), Marceline Desbordes-Valmore (1786-1859),Victor Hugo (1802-1885) en Baudelaire (1821-1867). Voor het laatste lied, over Etty Hillesum, schreef Gildas zelf de tekst.

Luister hier via SoundCloud naar drie van de chansons:

foto (7)           foto (8)          foto (5)

Luxe uitgave met tekstboekje 15 euro, cd in hoesje 7 euro.  Te bestellen bij Gildas zelf: gildasdelaporte@gmail.com.

 

 

Geroemd en verguisd… Een interview met Ed Spanjaard over Hans Henkemans

‘…wederwaardigheden, erkenning en tegenwerking…’

Henkemans? Tevergeefs blader ik door mijn XYZ van de Klassieke Muziek op zoek naar zijn naam, Heldentenor… Hellendaal… hemiool… Henze… Op internet vind ik naast een korte biografie, Henkemans’ naam op een oud concertprogramma getiteld Vergeten Componisten. Wie was die Henkemans eigenlijk? In zijn hoogtijdagen werden zijn composities gespeeld door het Concertgebouworkest. Als pianosolist trad hij op met grote dirigenten. Hij werd internationaal geroemd als Mozart en Debussy vertolker en maakte vele grammofoonplaten. Nu wordt er vrijwel geen noot meer van hem gespeeld. Wie een cd van hem wil kopen, komt van een koude kermis thuis.

16 april 1990   Beste Ed, Excuseer me het wat frivole postpapier, want dit is een erg serieus bedoelde brief […] Ik heb je iets te vragen en ik loop er al lang mee rond. […] …met het verstrijken der tijd wordt de questie nopender. Het komt hier op neer…

Talent
Ed Spanjaard zet koffie in de keuken van zijn Amsterdamse woning. Vanwege dit interview heeft hij zich de laatste dagen intensief met Henkemans bezig gehouden. Op de grote, ronde keukentafel liggen brieven, grammofoonplaten, een partituurmanuscript en een boekje dat Ed samenstelde over zijn vader. Hij slaat het open op een pagina met zwart-wit foto’s. ‘Kijk, hier zie je mijn vader en Henkemans, samen, voor de oorlog.’

boekjeEdovervaderjpg

Nog voordat ik mijn opname-apparaat heb kunnen aanzetten, begint Ed te vertellen.

‘Mijn vader, Jaap Spanjaard, en Hans Henkemans waren lang, goed bevriend. Mijn vaders broer was in 1931 betrokken bij de ontgroening van Henkemans. Hij treiterde Henkemans door hem piano te laten spelen zonder pianokruk.’ Ed Spanjaard staat op en zakt door zijn knieën om te laten zien hoe ongemakkelijk. ‘Maar mijn vader was gefascineerd door die jongen die zó fantastisch pianospeelde. Zelf speelde hij ook. Ze studeerden allebei medicijnen en psychiatrie. Zo zijn ze bevriend geraakt.’

In muzikaal – maar ook in ander opzicht – heb ik een niet alledaags leven achter de rug. Als ik mij herinner hoe ik begonnen ben te componeren – met 8 á 9 jaar – en hoe volstrekt “vanzelf” dat ging, en als ik mij realiseer hoe ik, bij de gratie ván dat componeren, ineens in de concertzaal zat en beroepspianist op de koop toe werd…

‘Henkemans had een waanzinnig talent’, vertelt Spanjaard. ‘Hij studeerde medicijnen, maar had tegelijk privépianoles bij George van Renesse, compositie bij Willem Pijper. Zijn eerste pianoconcert werd al voor de oorlog door het Concertgebouworkest gespeeld. Hij was nog geen twintig toen hij het schreef!’
Henkemans studeerde nooit aan een conservatorium, wel doceerde hij in de zestiger jaren aan het Groningse conservatorium én aan het Amsterdamse Muzieklyceum.

Onder de Duitse bezetting weigerde Henkemans lid te worden van de Kultuurkamer. Hij mocht dus niet optreden. ‘Mijn vader was assistent geneesheer in Het Apeldoornsche Bosch, een gigantische Joodse psychiatrische kliniek  – wel duizend patiënten.’ (werd in ’43 ontruimd. Een groot aantal verplegers en alle patiënten kwamen om in Auschwitz) ‘Mijn vader had zijn vleugel meegenomen naar Het Apeldoornsche Bosch. Daar gaf Henkemans clandestien concerten.’

pastelhenkemans
Portret in pastel van Hans Henkemans, de vader van Ed Spanjaard tekende zijn vriend eind jaren dertig

‘Meteen na de oorlog is Henkemans gedebuteerd bij het Concertgebouworkest. Hij speelde zijn Passacaglia en gigue. Daarna ging zijn pianocarrière als een raket. Hij speelde met grote dirigenten, van Otterloo, van Beinum, Klemperer, Giulini, Georg Szell … Zij voerden zijn muziek uit, hij trad met hen op als solist. Ongelooflijk. Henkemans was in de jaren vijftig een van de meest geliefde pianosolisten.’

Ook als componist beleefde Henkemans grote successen. ‘Het Concertgebouworkest speelde zijn stukken, nam ze mee naar Japan! Haitink heeft ik weet niet hoeveel pianoconcerten gespeeld met Henkemans en zeker een half  dozijn van zijn composities uitgevoerd.’

…en als ik me voor de geest haal welke (creatieve en reproductieve) wederwaardigheden, erkenning en tegenwerking, ik gekend heb, dan zal het je niet verbazen dat er iets essentieels van mezelf, mezelf zal overleven…

Tragisch
Op woensdag 9 mei 1962 publiceerde Henkemans een artikel in Het Algemeen Handelsblad waarin hij voorstelde de toenmalige vernieuwende muziek een nieuwe naam te geven. Voor hem waren deze ‘muzikale experimenten’ wezenlijk iets anders dan wat men ‘al eeuwen muziek noemde’. Hij stelde voor die ‘exploraties van de klankchaos’, die volgens hem een ‘nieuwe auditieve kunstvorm’ waren, de naam Soniek te geven. Dat leidde tot een grote controverse.

‘Hij heeft het zichzelf zeer moeilijk gemaakt’, vertelt Ed Spanjaard. ‘Hij stond in hoog aanzien, had een machtige carrière, én hij schreef goed. Bovendien was hij zeer uitgesproken, niet bang dingen te schrijven die conflictueus waren. De vernieuwers, de ‘Notenkrakers’ uit het andere kamp, zoals Reinbert de Leeuw, Peter Schat en van Vlijmen, beschouwden hem zo ongeveer als de duivel. De moderne generatie schilderde hem af als een conservatieve boeman.’

handgeschrevenpartituur2

Waarom had Henkemans de behoefte de moderne muziek met het woord Soniek als het ware buiten de muziek te plaatsten?  ‘Hij begreep het niet, die vernieuwing. Het was een tijd waarin een jongere generatie , zeker ook gestimuleerd door het voorbijgaan van die verschrikkelijke wereldoorlog, schoonschip wilde maken met de ouderwetse troep – tussen  aanhalingstekens. Hij wilde, denk ik, weerstand bieden tegen dat agressieve: “Jullie oude zakken kunnen het veld ruimen”…’

Iemand als schrijver Simon Vestdijk viel Henkemans bij. ‘Ja,Vestdijk was een gearriveerd literator, hij kon alles zeggen. Henkemans was optredend musicus, die moest het van de concertzaal hebben. Wat dat betreft heeft hij het zich moeilijk gemaakt, héél moeilijk gemaakt…’

‘Tragisch is niet een te zwaar woord’, vindt Spanjaard. ‘In de jaren zeventig is zijn Bericht aan de levenden (stuk voor spreekstem, koor en orkest voor Dodenherdenking) nog één of twee keer uitgevoerd, misschien wel onder druk van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Daarna heeft het Concertgebouworkest nooit meer één noot van Henkemans gespeeld. Dat gaat me aan mijn hart…’

Dat het Concertgebouworkest een nieuwe artistiek leider kreeg, hielp niet mee. ‘Van Royen; jonge man, midden dertig. Moest niets van Henkemans hebben. Een artistieke keuze, of smaak. Het kan ook zijn dat de jonge generatie gewoonweg machtiger aan het worden was…’

In 1969, in de periode waarin de belangstelling voor Henkemans als componist afnam, moest hij om gezondheidsredenen besluiten ook een eind te maken aan zijn carrière als concertpianist. (‘Hij  had in zijn jeugd TBC gehad, het optreden werd fysiek te gevaarlijk’) Wel bleef hij componeren (o.m de opera Winter Cruise, en een hoornconcert waarvan Ed de première dirigeerde) én hij pakte de psychiatrie weer op. (‘Hij had een goedlopende praktijk in Bergen, behandelde vooral musici, en mensen uit artistieke kringen’) In 1981, hij was 67, promoveerde hij op een proefschrift over sublimatiestoornissen bij kunstenaars.

Ik constateer opeens dat ik sinds kort ook bezig ben mijn andere “kanaal” – dat van de psychotherapie – te verzorgen maar dat, gek genoeg, dáár mijn streven is dat er niets tastbaars me overleeft. Gek, zoals een mens in elkaar zit.

Muzikale erfenis
Ed neemt een van de langspeelplaten uit zijn hoes en legt die in zijn werkkamer op de platenspeler. Staande luisteren we een tijd lang zwijgend naar Images van Debussy gespeeld door Henkemans. Dan draait Ed de volumeknop omlaag. ‘Je kan horen dat hij componist was, hij heeft een groot gevoel voor de gerichtheid van de muziek. Zijn spel is dichterlijk en teder’. En dan: ‘Hoe wrang dat de Salzburgse opnames van Henkemans uit de jaren vijftig zo’n slechte geluidskwaliteit hebben. Kort nadat hij stopte met spelen, en niets nieuws meer kon opnemen, kwam de cd-tijd.’

hoes3

Nadat Henkemans de psychiatrie weer oppakte kwam er een eind aan de vriendschap tussen vader Spanjaard en Henkemans. ‘Ik denk dat mijn vader (zelf een bekende psychiater) zich op een gegeven moment meer vraagbaak dan vriend voelde. Henkemans kon egocentrisch zijn. Het fijne weet ik er niet van, maar ik denk dat Henkemans meer aandacht voor zichzelf opeiste dan een gezonde vriendschap kon verdragen.’

Maar Ed Spanjaard bleef zijn ‘oom Hans’ Henkemans zien (‘na de verwijdering tussen hem en mijn vader is de band tussen mij en oom Hans hetzelfde gebleven; ik vond het triest, wat gebeurd was’) en Henkemans hield contact met Ed. ‘Hij was zo warm naar mij’, vertelt Spanjaard. ‘Het kwam dichtbij een vader-zoon gevoel. Mijn eindexamen piano waar ik, samen met Jan Slothouwer, twee delen uit zijn grote sonate voor twee piano’s speelde: hij was erbij; mijn allereerste optreden als dirigent, met l’Histoire du soldat, in een tent op het Museumplein: hij was erbij…’

Dan haalt Ed de brief te voorschijn, die Henkemans hem een aantal jaar voor zijn dood schreef met de vraag over een ‘questie’ die steeds ‘nopender’ werd, en leest voor:

Het komt hierop neer:
ik wilde jou vragen te zorgen voor – t.z.t. – mijn muzikale erfenis. […] Ik heb geen glorieuze fantasieën en geen visioenen van voortleven. […] Ik wil het alleen in handen weten van iemand die me – artistieke en persoonlijk – “nabij” is.

‘Ik zal de brief voor je kopiëren,’zegt hij, ‘misschien kan je er iets mee voor je artikel…’

Ed Spanjaard schuift wat paperassen en brieven bij elkaar op de vleugel en sluit de klep van de platenspeler. ‘O ja, iets leuks, onlangs sprak ik violiste Liza Ferschtman en we maakten een plannetje. Als we ooit samen voor het Concertgebouworkest staan, zeiden we, dan spelen we het vioolconcert van Henkemans.’

Opzoeknaarpartituur

 

fotografie: Mo Swillens
Tekst: Machiel Swillens

Dit interview verscheen eerder in deKlank, tijdschrift van philharmonie zuidnederland. 

Songs of Clarity (cd)

In de foyer van een klein theater in Valkenswaard sprak ik met sopraan Klaartje van Veldhoven over haar nieuwe cd Songs of Clarity. We dronken koffie aan een tafeltje bij het raam. Tussen ons in lag mijn opnameapparaat. Ik interviewde haar voor het tijdschrift Luister. De uiteindelijke tekst mocht achthonderd woorden bevatten, maar Klaartje vertelde wel voor duizend en meer. Over haar liefde voor de Engelse taal, over haar keuze de eeuwenoude muziek van William Byrd door moderne saxofoons te laten spelen, over de crowdfundingactie die ze op poten zette om haar idee te realiseren, over de mensen met wie ze samenwerkte aan dit project, over haar uitstapjes naar geïmproviseerde muziek, over haar eerste cd waarop ze ook al een oude componist (J.S. Bach) door een modern instrument (accordeon) liet spelen, over de vragen die ze telkens krijgt naar het waarom van die ongebruikelijke combinaties, maar dat zij eigenlijk vooral mooie cd’s wil maken, cd’s die je als ze afgelopen zijn meteen nog eens opzet.

Vorige week kwam de cd uit. Gisteren lag hij in mijn brievenbus. ‘Hartelijke groet, Klaartje’, stond op de achterkant van de bruine papieren enveloppe.

Op de cd staan liederen van Willam Byrd (1659-1695) en van Henry Purcell (c. 1543 1623). In de liederen van Purcell laat Klaartje zich begeleiden door viola da gamba en klavecimbel, de Consort Songs van Byrd zingt ze met de vier saxofonisten van het Amstel Quartet. Dat ensemble speelt tussen de liederen nog een vijftal geheel instrumentale Fantasia’s van Purcell.

In het boekje dat bij de cd hoort zijn de teksten van de liederen zowel in het oorspronkelijke Engels als ook in een Nederlandse vertaling opgenomen. Dat is fijn want ze zijn daardoor goed te volgen. In een interview door Peter van der Lint, ook in het boekje, zegt Klaartje dat de songs van Byrd ‘heerlijke rustige momenten’ op de cd zijn. Ze vergelijkt ze met drijvende bootjes op roerloos water. Dat is mooi gezegd. Toen ik de cd luisterde ervoer ik het zo: Als de Byrd songs drijvende bootjes zijn, dan zijn de instrumentale Fantasia’s het roerloze water. Vooral in de liederen van Purcell wordt je als luisteraar stevig toegesproken. Klaartje vergelijkt ze met kleine operaatjes. Daarna is het fijn om tot jezelf te komen aan de rand van zo’n roerloos water, even staren in de pijlloze diepte van orgelachtig saxofoon geluid.

Toen de cd was afgelopen heb ik hem meteen nog eens opgezet.

Songs of Clarity – Purcell en Byrd, Klaartje van Veldhoven, Giullermo Brachetta (klavecimbel) , Robert Smith (viola da gamba), Amstel Quartet (Remco Jak, Olivier Sliepen, Bas Apswoude, Ties Mellema) KV2014-2 verkrijgbaar via Harmonia Mundi.

www.klaartjevanveldhoven

(Foto: Marco Borggreve)

Eén winterdag, twee rampen, twee kunstwerken (cd/boek)

Op 1 februari 2003 voltrokken zich twee rampen. Bij de ene stierven zeven astronauten. Zij verongelukten met spaceshuttle Columbia die vlak voor de landing, op zestig kilometer hoogte, uit elkaar spatte. Bij de andere vond een twaalf jarige jongen de dood. Hij gooide hij een sneeuwbal naar een auto op het parkeerdek van station Rotterdam Zuid. De bestuurder van de auto stopte, stapte uit en schoot hem dood. Het spaceshuttle programma werd tijdelijk stopgezet. De dader van de moord op de jongen werd, wegens gebrek aan bewijs, nooit berecht.

Beide rampen waren aanleiding voor een kunstwerk. Peter Eötvös componeerde zijn vioolconcert Seven ter nagedachtenis aan de zeven astronauten. Alex Boogers schreef de novelle Wanneer de mieren schreeuwen over de geschiedenis van de jongen die een sneeuwbal gooide.

Een opname van Seven staat nu, met opnamen van vioolconcerten van Béla Bartók en György Ligeti, op de nieuwste cd van Patricia Kopatchinskaja. De noten van Seven lijken Kopatchinskay op het lijf geschreven. De expressieve violiste uit Moldavië, die liefst blootsvoets het concertpodium betreedt, heeft een regenboog aan klankkleuren op haar pallet. Ze laat haar viool afwisselend fluisteren en knarsen, smeken en brullen.
Seven bestaat uit twee delen. De vier zogeheten Cadenzas die samen het eerste deel vormen, zijn opgedragen aan de zeven astronauten en karakteriseren hen. Zo bevat de vierde Cadenza ‘voor Chawla en Ramon’ elementen uit de volksmuziek van India, het land waar Kalpana Chawla werd geboren.
Het getal zeven – Seven – verwijst natuurlijk naar de zeven astronauten, maar komt ook terug in de opstelling van het orkest in zeven instrumentengroepen. De zeven tutti violen staan, verwijderd van het ensemble, ruimtelijk opgesteld in de zaal. (lastig te vangen in een opname, maar op deze cd goed te horen!) Ze zijn – in de woorden van Eötvös – als zeven satellieten of zielen, die klinken en rondzweven in de ruimte. Eötvös: ‘Seven is een zeer persoonlijke monoloog en de muzikale expressie van mijn sympathie voor de zeven astronauten die hun leven verloren terwijl ze met hun ontdekkingsreis naar de ruimte  een fundamentele droom van de mensheid verwezenlijkten.’

In de novelle Wanneer de mieren schreeuwen van Alex Boogers wordt het drama van die ene jongen in de sneeuw het verhaal van de mens die, door het stomme noodlot getroffen, zijn dromen nooit zal kunnen verwezenlijken. Het boek gaat de eerste bladzijden over Boogers zelf. Hij rijdt per taxi naar de universiteit waar hij een lezing voor studenten zal geven. Een lezing over de kansen die ieder mens heeft, de mogelijkheid je leven in eigen hand te nemen, er een draai aan te geven, je droom waar te maken. De taxichauffeur, aan wie hij daarover vertelt, zegt: ‘U hebt het mis. Je bereikt niet altijd wat je wilt. Sommige botsingen zijn zo groots dat je uit je baan wordt geslingerd, in sommige gevallen voorgoed.’
En dan vertelt de taxichauffeur zijn verhaal. Het verhaal van zijn neefje Sedar Socrates Soares, de jongen die werd doodgeschoten omdat hij een sneeuwbal gooide. De jongen met het mooie haar van Rijkaard, de slungeligheid van Kanu, en de wimpers van Beyoncé, het voetbal talent van wie gezegd werd dat hij veel mensen gelukkig zou maken. Maar tegelijkertijd het verhaal van zijn Kaapverdiaanse familie in Nederland; over de zoektocht naar een nieuw leven, over mislukking en tegenslag, over hoop en belofte. En dat verhaal is dan de novelle, en aan het eind van die novelle rest Boogers op de laatste bladzijden geen andere mogelijkheid dan zijn geplande lezing maar te laten, en alleen nog dát verhaal aan de studenten te vertellen.

We keken allebei door ons raampje naar buiten.
‘Sneeuwpret,’ zei hij. ‘Mijn tante vond het zo’n mooi Nederlands woord.’
‘Dat is het ook.’
Gabriel knikte en keek voor zich uit.
‘Tot de winter die alles veranderde.’
‘Welke winter was dat?’
‘In 2003. 1 februari 2003, om precies te zijn. Toen begon de winter voor mij en mijn familie pas echt.’

kopatchinskaya   mieren

Bartók/Eötvös/Ligeti
Patricia Kopatchinskaja
Frankfurt Radio Symphony Orchestra
Ensemble Modern
o.l.v. Peter Eötvös
naïve

Wanneer de mieren schreeuwen
Alex Boogers
Podium b.v. Uitgeverij
ISBN 9789057595981

foto Patricia Kopatchinskaja: Marco Borggreve