Debuut cd van Gildas Delaporte ‘Feuilles Volantes’

Bert et Gildas 2 n&b

foto: Marleen Serné

De eerste keer dat ik hem hoorde zingen was zo’n tien jaar geleden in China. We waren op tournee met het orkest waarin we collega’s zijn. Het was nacht. We liepen in het donker door Beijing. Het had gestortregend en we waadden tot onze enkels door het water, maar het was warm en we waren aan de andere kant van de wereld, dus dat kon ons niet schelen. We gingen een café binnen dat na sluitingstijd nog open was. Er brandde licht. Binnen luisterden twee Chinese jongens naar een meisje dat aan een gitaar plukte. Hij vroeg: ‘May I?’ Het meisje gaf hem de gitaar, hij sloeg wat akkoorden aan en begon te zingen. De Chinese jongens en het meisje zwegen. De barvrouw stopte met poetsen en leunde over de bar.

Deze zomer bracht Gildas Delaporte zijn eerste cd met Franse chansons uit. Gildas was al contrabassist én beiaardier, maar nu dus ook nog chansonnier. Gildas ontpopt zich als een meesterlijk liedjesschrijver en zanger.
Al enige jaren componeert en zingt Gildas chansons op teksten van Franse dichters. Tal van deze prachtige, soms uitbundig vrolijke, dan weer ontroerend melancholieke  liedjes, zijn bijeengebracht op de cd met als titel: ‘Feuilles Volantes, chansons de poètes’.
Gildas laat zich begeleiden door Bert van den Brink op piano en accordeon. Een gouden greep. Bert, bekend van de jazzmuziek en meer, schittert in deze chansons met zijn fijnzinnige en levendige spel.
De teksten van bijna alle chansons zijn van de hand van beroemde  Franse dichters: Apollinaire (1880-1918), Marceline Desbordes-Valmore (1786-1859),Victor Hugo (1802-1885) en Baudelaire (1821-1867). Voor het laatste lied, over Etty Hillesum, schreef Gildas zelf de tekst.

Luister hier via SoundCloud naar drie van de chansons:

foto (7)           foto (8)          foto (5)

Luxe uitgave met tekstboekje 15 euro, cd in hoesje 7 euro.  Te bestellen bij Gildas zelf: gildasdelaporte@gmail.com.

 

 

Advertenties

Dutch Art Monkeys bezoekt Griet Menschaert

Op haar website omschrijft Griet Menschaert haar activiteiten als een combinatie van beeldende kunst, schrijven en reizen. Haar reizen leiden tot intense ontmoetingen met creatieven in andere landen en contexten. Tijdens zo’n reis ontstond een samenwerking met mensen uit Charkov in Oekraïne. Dutch Art Monkeys bezocht deze uit België afkomstige kunstenaar in haar atelier in Eindhoven.

Dutch Art Monkeys filmcrew: Frank van Ansem en Machiel Swillens interview. Rob van Gils en Mo Swillens camera. Rob van Gils, montage.

Van ‘show don’t tell’, handen in John Williams’ Stoner

Waar schrijvers het over hebben als ze het over showing en telling hebben? Pak de roman Stoner van John Williams er maar eens bij. Williams schrijft met een kleine camera in de punt van zijn pen.  Bij scènes over de grootste, allesbepalende ‘life events’, zoomt Williams daarmee vaak in op kleine, maar O zo veelzeggende details. In het bijzonder op de handen van zijn personages. Waarom? Showing! Waarom handen? Vraag het een portretfotograaf: Handen vertellen meer dan gezichten, handen zetten geen maskers op, handen veinzen niet. Handen hangen bleek en krachteloos langs lichamen, handen trommelen met nerveuze vingers op tafelbladen, handen ballen zich tot vuisten totdat de knokkels wit zien.

In de roman Stoner, het levensverhaal van William Stoner, de boerenzoon die universitair docent wordt, komen de eerste handen close-up in beeld op bladzijde twaalf. Vader Stoner doet zijn zoon het voorstel in de stad te gaan studeren:

William legde zijn handen op het tafelkleed, dat onder het lamplicht dof glansde. Hij was nog nooit verder van huis geweest dan Booneville, vijfentwintig kilometer verderop. Hij slikte om zijn stem onder controle te houden.

Willen jullie echt dat ik ga? Vraagt William zijn ouders.

Zijn vader verplaatste zijn gewicht op de stoel. Hij keek naar zijn dikke, eeltige vingers, met kloven waarin het stof zo diep zat dat het niet kon worden weggewassen. Hij vouwde zijn vingers samen en hield ze boven tafel, bijna alsof hij aan het bidden was.

Vader antwoordt:

…’Soms als ik op het land ben denk ik…’ Hij zweeg even. Zijn vingers spanden zich en zijn gesloten handen vielen op de tafel neer. ‘Denk ik…’ Hij keek fronsend naar zijn handen en schudde zijn hoofd. ‘Komend voorjaar ga jij naar de universiteit. Je moeder en ik zullen ons wel redden.’

Verderop in het boek en eenmaal aan de universiteit besluit Stoner het voorbestemde pad te verlaten en de studie landbouw in te ruilen voor een studie Engelse taal en letterkunde. Hij volgt daarmee zijn hart, maar het is een slag voor zijn ouders.

Vader Stoner:

Als jij vindt dat je hier moet blijven en je boeken moet bestuderen, dan moet je dat doen. Je moeder en ik redden ons wel.’ Zijn moeder keek hem aan, maar zag hem niet. Ze had haar ogen dichtgeknepen. Ze ademde zwaar; haar gezicht vertrok alsof ze pijn had en haar tot vuisten samengeknepen handen waren tegen haar wangen gedrukt. Verbaasd besefte Stoner dat ze huilde.

En zo blijven de handen in deze roman het verhaal vertellen:

Als hij het meisje ontmoet dat zijn vrouw zal worden, zijn toekomstige echtgenote in een rampzalig huwelijk, en hij haar vraagt of hij nog eens langskomen mag:

‘O,’ zei ze. ‘Nou.’ Ze had haar dunne vingers in haar schoot samengevouwen, en daar waar de huid gespannen stond, kleurden de knokkels wit. Op de rug van haar hand zaten heel bleke plekken.

Als hij in conflict raakt met zijn collega Lomax:

In zijn stoel hangend keek Lomax recht voor zich uit, terwijl hij met zijn lange witte vingers op het spiegelende tafelblad trommelde.

Als hij Katherine Driscoll ontmoet, de studente met wie hij een affaire krijgt. De vrouw van wie hij houdt en van wie hij leert wat liefde kan betekenen.

…haar ogen schitterden en ze vouwde haar handen boven de tafel en ontvouwde ze weer. William Stoner trok een stoel naar voren en leunde aandachtig haar kant op. Ze waren zo dicht bij elkaar dat hij zijn hand kon uitstrekken om haar aan te raken.

Als hun geheime verhouding uitkomt en hij weet dat het nu onmogelijk wordt haar nog te zien:

…dat hij het meisje Driscoll zou moeten ontslaan en waarschuwde dat er een schandaal uit zou kunnen ontstaan.’
‘Nee,’ zei Stoner. Zijn handen deden pijn op de plek waarmee hij de leren leuningen van de fauteuil vastklemde.

En als hij op de laatste bladzijden sterft. Ook dat vertelt Williams niet, hij laat het zien. Waarmee hij het laat zien, dat laatste moment waarop het leven William Stoner verlaat? Met een close-up van Stoners handen, zijn handen die verslappen:

Zijn vingers verslapten, en het boek dat ze hadden vastgeklemd gleed langzaam en toen snel over het roerloze lichaam en viel de stilte van de kamer in.

Het zijn deze veelzeggende beelden – en nog veel meer – die Stoner tot zo’n ontroerend boek maken.

Stoner
John Williams
Vertaald uit het Amerikaans door Edzard Krol
Lebowsky Publishers, Amsterdam 2013
ISBN 9789048813834

Eén winterdag, twee rampen, twee kunstwerken (cd/boek)

Op 1 februari 2003 voltrokken zich twee rampen. Bij de ene stierven zeven astronauten. Zij verongelukten met spaceshuttle Columbia die vlak voor de landing, op zestig kilometer hoogte, uit elkaar spatte. Bij de andere vond een twaalf jarige jongen de dood. Hij gooide hij een sneeuwbal naar een auto op het parkeerdek van station Rotterdam Zuid. De bestuurder van de auto stopte, stapte uit en schoot hem dood. Het spaceshuttle programma werd tijdelijk stopgezet. De dader van de moord op de jongen werd, wegens gebrek aan bewijs, nooit berecht.

Beide rampen waren aanleiding voor een kunstwerk. Peter Eötvös componeerde zijn vioolconcert Seven ter nagedachtenis aan de zeven astronauten. Alex Boogers schreef de novelle Wanneer de mieren schreeuwen over de geschiedenis van de jongen die een sneeuwbal gooide.

Een opname van Seven staat nu, met opnamen van vioolconcerten van Béla Bartók en György Ligeti, op de nieuwste cd van Patricia Kopatchinskaja. De noten van Seven lijken Kopatchinskay op het lijf geschreven. De expressieve violiste uit Moldavië, die liefst blootsvoets het concertpodium betreedt, heeft een regenboog aan klankkleuren op haar pallet. Ze laat haar viool afwisselend fluisteren en knarsen, smeken en brullen.
Seven bestaat uit twee delen. De vier zogeheten Cadenzas die samen het eerste deel vormen, zijn opgedragen aan de zeven astronauten en karakteriseren hen. Zo bevat de vierde Cadenza ‘voor Chawla en Ramon’ elementen uit de volksmuziek van India, het land waar Kalpana Chawla werd geboren.
Het getal zeven – Seven – verwijst natuurlijk naar de zeven astronauten, maar komt ook terug in de opstelling van het orkest in zeven instrumentengroepen. De zeven tutti violen staan, verwijderd van het ensemble, ruimtelijk opgesteld in de zaal. (lastig te vangen in een opname, maar op deze cd goed te horen!) Ze zijn – in de woorden van Eötvös – als zeven satellieten of zielen, die klinken en rondzweven in de ruimte. Eötvös: ‘Seven is een zeer persoonlijke monoloog en de muzikale expressie van mijn sympathie voor de zeven astronauten die hun leven verloren terwijl ze met hun ontdekkingsreis naar de ruimte  een fundamentele droom van de mensheid verwezenlijkten.’

In de novelle Wanneer de mieren schreeuwen van Alex Boogers wordt het drama van die ene jongen in de sneeuw het verhaal van de mens die, door het stomme noodlot getroffen, zijn dromen nooit zal kunnen verwezenlijken. Het boek gaat de eerste bladzijden over Boogers zelf. Hij rijdt per taxi naar de universiteit waar hij een lezing voor studenten zal geven. Een lezing over de kansen die ieder mens heeft, de mogelijkheid je leven in eigen hand te nemen, er een draai aan te geven, je droom waar te maken. De taxichauffeur, aan wie hij daarover vertelt, zegt: ‘U hebt het mis. Je bereikt niet altijd wat je wilt. Sommige botsingen zijn zo groots dat je uit je baan wordt geslingerd, in sommige gevallen voorgoed.’
En dan vertelt de taxichauffeur zijn verhaal. Het verhaal van zijn neefje Sedar Socrates Soares, de jongen die werd doodgeschoten omdat hij een sneeuwbal gooide. De jongen met het mooie haar van Rijkaard, de slungeligheid van Kanu, en de wimpers van Beyoncé, het voetbal talent van wie gezegd werd dat hij veel mensen gelukkig zou maken. Maar tegelijkertijd het verhaal van zijn Kaapverdiaanse familie in Nederland; over de zoektocht naar een nieuw leven, over mislukking en tegenslag, over hoop en belofte. En dat verhaal is dan de novelle, en aan het eind van die novelle rest Boogers op de laatste bladzijden geen andere mogelijkheid dan zijn geplande lezing maar te laten, en alleen nog dát verhaal aan de studenten te vertellen.

We keken allebei door ons raampje naar buiten.
‘Sneeuwpret,’ zei hij. ‘Mijn tante vond het zo’n mooi Nederlands woord.’
‘Dat is het ook.’
Gabriel knikte en keek voor zich uit.
‘Tot de winter die alles veranderde.’
‘Welke winter was dat?’
‘In 2003. 1 februari 2003, om precies te zijn. Toen begon de winter voor mij en mijn familie pas echt.’

kopatchinskaya   mieren

Bartók/Eötvös/Ligeti
Patricia Kopatchinskaja
Frankfurt Radio Symphony Orchestra
Ensemble Modern
o.l.v. Peter Eötvös
naïve

Wanneer de mieren schreeuwen
Alex Boogers
Podium b.v. Uitgeverij
ISBN 9789057595981

foto Patricia Kopatchinskaja: Marco Borggreve

Enclave

‘Waarom doe ik het eigenlijk’, verzucht mijn lief bij vlagen. Dat kan ik begrijpen, ze is kunstenaar. Heb je net maanden werk in een expositie gestoken, meldt de suppoost verheugd dat er deze week ‘wel vier bezoekers’ waren. Dan mag je een vlaag hebben.

Twee weken geleden bezocht ik de Zin in Zondag poëziemiddag in de TAC tuin. Slalommend tussen horden in rood wit gehesen PSV-supporters had ik mij een weg gebaand over het fietspad tussen stadion en spoor om vervolgens mijn fiets vast te zetten voor TAC, waar de voetbaltsunami zojuist ongeveer drie miljoen plastic bierbekertjes aan land had geworpen. Nog buiten adem stapte ik naar binnen. In de tuin was het stil. Ik schoof een stoel aan en ging zitten. Verspreid over het gras koesterde een handvol publiek zich aan de zon. Twee kinderen renden rond het tafeltje waarop hun ouders glazen bier voor omvallen behoedden.

Toen begon het. Een lange man, Roel Weerheijm geheten, vertelde door een microfoon dat hij op de 22ste verdieping woonde. Daarna las hij gedichten voor. Die boden weidse uitzichten. Dat leek me logisch. Na het vierde gedicht moest hij iets kwijt. Hem was verweten dat er te weinig seks in zijn teksten zat. Daar had hij met het volgende gedicht iets aan gedaan. Het ging over ‘vrouwenonanie’. ‘Maar U kunt gerust zijn’, zei hij en keek verlegen naar de ouders, ‘het is niet expliciet.’

In wat hij voorlas maakte een vrouw op een balkon met trage bewegingen ‘van de middag een gedicht’. Expliciet of niet, ik zag het voor me.

Daarna zong singer-songwriter Joyce Deijnen. Zelfs de kinderen werden stil en luisterden met open monden. Nu en dan blies de wind een wolkje stadiongeluid naar binnen, maar dat gaf niet, de tuin was een enclave. En opeens wist ik waarom ze het deden, de dichter, de zangeres, de kunstenaar, mijn lief…  Om van doodgewone dagen een gedicht te maken.

 

Deze column verscheen eerder in het boekje van Zin in Zondag

Updike en Murakami: 2 schrijvers, 2 boeken, 4 manen

Naar het einde der tijden van John Updike speelt zich af in het jaar 2020. De tekst van deze roman is het dagboek van hoofdpersoon Ben Turnbull. Beginnend en eindigend met sneeuw beschrijft hij een jaar uit zijn leven, in zinnen die zich wellustig over de bladzij vertakken en waar geuren van een constant woekerende, uitbottende, en weer verrottende natuur welhaast fysiek uit op wasemen.

…en de ene dahlia was in mijn afwezigheid gegroeid en uitgedijd tot een kleine boom propvol bloemen met de blozende kleur van jonge schaamlippen. De tuin leek boosaardig aan het rotten geslagen: overal bevonden zich naamloze, loodgrijze aardwoekeringen, die grotten en vrijplaatsen vormden voor slakken en kraalbuikige hooiwagens met sierlijk geëvolueerde, giftige kaken.

Turnbull, zesenzestig jaar, gepensioneerd beleggingsadviseur, zoekt zijn weg nadat heftige gebeurtenissen de wereld hebben veranderd. Vage criminele bendes, maar ook een bedrijf als de FedEx, hebben overheidstaken overgenomen, innen belasting of bieden maffia-achtig bescherming. Ben Turnbull verzet zich tegen de naderende dood, speelt golf, denkt over kwantummechanica en probeert zich staande te houden naast zijn nog levenslustige vrouw.

Nergens wordt het door je strot geduwd dat je in de toekomst bent.  In dit boek geen futuristische apparaten of ‘beam me up Scotty’- achtige taferelen. Kleine ongerijmdheden vervreemden de sfeer en maken dat je je afvraagt: In wat voor een wereld ben ik beland? Een veranderde wereld waarin twee manen aan de hemel staan:

Boven mij, in een lucht die reeds het vaalblauw van de  middag vertoont, hangen twee manen: een halve, die het hemelsblauw absorbeert door haar dunne, poreuze breukvlak, en een kleinere, zelfs nog blekere en ijlere maan. Aangenomen dat de eerste, evenals de zon, ongeveer een halve graad beslaat van de honderdtachtig graden tellende hemelboog, neemt deze tweede hooguit een zesde graad in. Ze lijkt op een honingraad, met een paar nauwelijks zichtbare aanhangsels, stompe libellenvleugels.

Die twee manen komen bekend voor. Haruki Murakami laat ze opstijgen aan de nachthemels van zijn trilogie 1q84. Aomame kijkt er naar en weet dat ‘iets in de wereld is veranderd’.

Aan de hemel stonden twee manen. Een kleine maan, en een grote. Naast elkaar dreven ze door de lucht. De grote maan was dezelfde vertrouwde maan als altijd – een gele maan, bijna vol. Maar daarnaast hing nog een maan, een andere maan. Een maan met een ongewone vorm. Enigszins verwrongen, met een kleur alsof hij overgroeid was met dun groen mos. Dat was het tafereel dat ze aanschouwde.

1q84 speelt zich af in het jaar 1984. Een jaartal dat in ons verleden ligt, maar dat door de roman 1984 van George Orwell  nog altijd een toekomstachtige bijsmaak heeft. Vlak voordat Aomame in het begin van het eerste deel uit de taxi stapt om naast de snelweg  een stalen noodtrap af te dalen, waarschuwt de taxichauffeur haar: ‘Laat u door schijn niet bedriegen, er is altijd maar één realiteit’,  zegt hij. Maar wie Naar het einde der tijden of 1q84 leest, weet: Er zijn altijd meer realiteiten dan je denkt.

1q84 cover        updike cover

Illustratie boven: Julien Pacaud http://www.julienpacaud.com

Naar het einde der tijden, John Updike, 1997, De Arbeiderspers, vertaling Anneke van Huisseling, ISBN 9789029549943

1q84, Haruki Murakami, 2009, Atlas, vertaling Jaques Westerhoven, ISBN 9789045098616

Boek: Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld

Natuurlijk, in films en games lijken wij geen genoeg te kunnen krijgen van geweld. Maar om vandaag de dag een standbeeld van iemand die triomfantelijk een net afgesneden hoofd de lucht insteekt op –  noem maar eens een plek – de Dam te plaatsen, dat is onvoorstelbaar. Ooit lag dat anders: Cosimo I de’ Medici liet de Perseus van Benvenuto Cellini ongegeneerd op de Piazza della Signoria, hartje Florence, zetten. Maar dat was dan ook de zestiende eeuw.

Wie een kijkje wil nemen in die zestiende eeuw kan de autobiografie van Cellini lezen. Hij was behalve goudsmid en beeldhouwer een begenadigd verteller. Hij dicteerde zijn levensverhaal in zijn werkplaats aan een veertienjarige leerjongen. Niet in het Latijn, dat toch de boekenschrijverstaal van die tijd was, maar gewoon in zijn eigen Florentijnse dialect. Wie het boek openslaat, doet een deurtje open naar de zestiende eeuw. Het is alsof Cellini naast je staat en tegen je praat. Met schaamteloze trots doet hij verslag van zijn avontuurlijke leven. Hij was in dienst van pausen en edellieden, zelfs iemand als Michelangelo bewonderde zijn werk, hij schoot kanonnen af in oorlogen en werkte voor de Franse koning, die hem als dank een klein kasteel cadeau deed. Uitvoerig doet Cellini uit de doeken met welke technische hoogstandjes hij het voor elkaar kreeg het enorme bronzen gietsel, dat het standbeeld van Perseus is, te maken.

Niet minder schaamteloos doet Cellini verslag van zijn misdaden. Hij werd meermaals veroordeeld en gevangen gezet of verbannen.

Ik pakte een kort, scherp dolkje van me, drong door de rij van zijn verdedigers, en greep hem in zijn borst: ik deed dat zo snel en doortastend dat niemand van de aanwezigen het kon verhinderen. Ik mikte op zijn gezicht, maar van schrik wendde hij zijn hoofd af zodat ik hem vlak onder zijn oor trof, daar stootte ik twee keer stevig door en bij de tweede stoot viel hij dood onder mijn handen neer.

Moord, openlijke geweldpleging, onzedelijke handelingen, hij heeft het allemaal op zijn kerfstok. Maar nooit neemt hij een blad voor de mond. Hij laat alles zien. Hij was dan ook een zestiende-eeuwer.

Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld, vertaald en ingeleid door Corinne van Schendel en Henriëtte van Dam van Isselt, verscheen bij Atheneum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2000 ISBN 9789025306502

1