‘Alsof Beethoven tot mij sprak…’

Haar Tawfiq componeerde in opdracht van philharmonie zuidnederland het orkestwerk Unificazione. Machiel Swillens zocht hem op in zijn woning in Tilburg. 

‘Ik kreeg opeens een mail van het orkest. Ze hadden mij geselecteerd om een stuk te schrijven. Een stuk voor philharmonie zuidnederland. Ik dacht meteen wauw, dat is geweldig!’

Hawar Tawfiq vult de waterkoker in de kleine keuken van zijn Tilburgse woning. Hij zet grote mokken op het aanrecht. Hij legt theezakjes klaar, en oploskoffie. ‘Sorry ik heb alleen deze koffie, is dat goed?’ Ondertussen vertelt hij over het stuk dat net af is. Hij heeft er een jaar aan gewerkt.

Op de ronde tafel in de woonkamer ligt de partituur. ‘Straks kunnen we ernaar luisteren,’ zegt hij.’ Ik heb een soort opname. Die klinkt afschuwelijk. Het orkest wordt gesimuleerd door de computer. In het echt klinkt het straks veel mooier, maar zo krijg je alvast een idee.’ Hij schuift de partituur naar het midden van de tafel en begint te vertellen.

‘Het stuk mocht twintig minuten duren. Naast mijn werk zou de negende symfonie van Beethoven worden gespeeld. Ik kon het instrumentarium van die symfonie gebruiken, én nog drie extra instrumenten. Ik koos harp, tuba, en een extra slagwerkspeler.’ Het ging om een nieuw stuk ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van de Europese Unie. Als thema kreeg hij vrijheid en democratie. ‘Ik had meteen ideeën. Democratie past goed bij orkest. Al die dialogen tussen de instrumenten. Maar ik moest iets concreets hebben…’

Altijd oorlog
Hawar Tawfiq werd geboren in Sulaimaniya in Noord Irak. In het Koerdische gedeelte. ‘Mijn land ligt verspreid over Irak, Iran, Turkije en Syrië.’ Terwijl hij opgroeide, was er eigenlijk altijd oorlog. Eerst de achtjarige oorlog tussen Iran en Irak. Een van zijn oudere broers moest in het leger maar weigerde. ‘Soldaten drongen de huizen binnen en controleerden iedereen op illegale dingen. Als het voorbij was, gingen we kijken of mijn broer niet was gearresteerd.’ Vaak ging de sirene als hij op school was. Binnen vijf minuten bombardementen. De leraar waarschuwde de kinderen zo snel mogelijk naar huis te gaan. Terwijl hij met zijn broer naar huis rende, sloegen de bommen in. Vervolgens de Golfoorlog en daarna een opstand in Koerdisch Noord Irak. ‘We waren min of meer bevrijd, maar er brak opnieuw een verschrikkelijke tijd aan. Verschillende politieke partijen bestreden elkaar. De oorlog ging gewoon verder.’

 Maar als het altijd oorlog is, gaat ook het leven door. ‘In de jaren zeventig en tachtig was westerse cultuur heel hip in Irak’, vertelt Hawar. ‘Jongeren lazen Russische literatuur en luisterden naar klassieke muziek. Mijn oudere broer probeerde ook te luisteren naar die muziek. Hij was kunstschilder. Hij wilde tegen zijn vrienden kunnen zeggen “ik luister naar Beethoven en Mozart”. Maar hij kon er niet naar luisteren.’ Wat zijn broer niet lukte, kon de kleine Hawar wel. ‘Mijn broer had een grote kelder onder ons huis. Daar kon hij schilderen en herrie maken. Als hij er niet was, ging ik naar beneden. Ik was een jaar of vijf. Ik luisterde in de kelder naar zijn cassettebandjes met de symfonieën van Beethoven. Die vond ik zo mooi. Zoveel klanken, zoveel laagjes!’

Daarmee begon het. Toen Hawar negen was, bracht zijn broer hem naar een muziekdocent. ‘Ik zei dat ik viool wilde spelen. Mijn moeder zag daar niets in. Hoewel mijn broer eigenlijk liever wilde dat ik ook schilder werd, nam hij het voor mij op. Geld voor een viool was er niet. Mijn zwager kocht zo’n made in Japan viool voor mij.’

Vioolles hebben was niet vanzelfsprekend. Er waren geen methodes. De docent had alleen het eerste leerboek. Zelf vond Hawar de bladmuziek van het vioolconcert van Paganini. ‘Ik dacht, niets is onmogelijk. Ik studeerde zes uur per dag. Ik was tien. Na een maand kwam ik in de muziek het woord solo tegen. Had ik alleen nog maar de orkestinleiding gedaan…’

Maar hij bleef studeren. Overal zocht hij naar klassieke muziek. Als iemand iets had, kopieerde hij dat op cassettebandjes. Wie de componisten waren wist hij niet. Hij zocht naar de melodieën in zijn Dictionary of musical themes. Een boek met 10.000 in notenschrift genoteerde thema’s. Een voor een ging hij ze af. Tot hij een melodie vond die hij kende. Zo ontdekte hij een van zijn lievelingsstukken. De tweede suite van Bach.

“De weg naar leven of dood…”
Toen hij vijftien was, kwam alles op losse schroeven te staan. Hawar raakte bevriend met een moslimmeisje. Hawars familie was niet moslim, maar behoorde tot de religieuze minderheid Kakai. Toen de vriendschap uitkwam, besloten de behoudende familieleden van het meisje tot eerwraak. Hawar was zijn leven niet zeker. Dat, en de constante dreiging van Saddams regime, dwongen hem te vluchten. ‘De weg naar Europa noemden ze bij ons “de weg naar leven of dood”. Ik dacht, als ik blijf, ga ik dood. Als ik ga, kan ik onderweg omkomen, maar dan heb ik ook een kans op leven.’ Tegen betaling namen smokkelaars hem en zesendertig andere vluchtelingen mee. De bergen in. Door de sneeuw, over de grens met Iran, richting Europa…

Eigenlijk zou hij doorreizen naar Zweden. Naar zijn zus. Maar toen hij na een barre tocht van drie maanden in Nijmegen bij kennissen belandde, besloot hij te blijven. ‘Ik zag mensen fietsen, en glimlachen op straat. Ik dacht, ik ben nu toch safe. Ik wil studeren. Laat ik hier blijven.’

Hij melde zich bij de vreemdelingendienst. Met een busje werd hij met andere vluchtelingen naar Oisterwijk gebracht. ‘Het was al nacht toen we aankwamen. Er was meteen ruzie in de rij. Toen ik aan de beurt was, vroeg ik direct of er een bibliotheek was. Ik was vijftien. Ik wilde de taal leren, studeren. Dat hadden ze in vijftien jaar nog nooit meegemaakt.’

Binnen een paar weken kon Hawar kleine gesprekken voeren in het Nederlands. ‘Ik moest van mezelf elke dag tien woorden leren. De lerares van de taalschool waar ik kwam, was heel verbaasd. ‘”Zó, al in het Nederlands…”  zei ze. Ze vroeg wat ik gedaan had in mijn land. Ik zei dat ik een beetje viool had gestudeerd. Zij zei: “Ik speel piano, maar we hebben hier een collega die viool speelt. Wacht, ik ga haar halen”’. De vioolspelende collega beloofde de volgende dag haar viool mee te nemen. Die nacht kon Hawar niet slapen. De volgende dag speelde hij op de viool. ‘”Maar”, zeiden ze, “jij speelt niet alleen een beetje”’

Hij mocht de viool lenen. Er werd woonruimte geregeld waar hij viool kon studeren. Hij nam vioolles. Op aanraden van Mieke, de taallerares, deed hij toelatingsexamen voor het conservatorium in Tilburg. Hij werd aangenomen. ‘Ik was zo blij! Ik deed technisch alles verkeerd, maar ze hoorden dat ik muzikaal was, dus gaven ze mij een kans.’

Eigen kleur
Naast viool studeerde Hawar compositie. ‘Ik had een pianostuk geschreven voor de verjaardag van Mieke. En later een werk voor mijn vioollerares Annemieke Corstens. Het ging zo makkelijk. Binnen een week had ik een stuk. Ik dacht, ik ben echt componist.’ Hij ging met zijn stuk naar Alexander Hrisanide, de compositiedocent, en speelde het voor hem. ‘“Het is mooi, maar het is ook zó naïef”, zei Hrisanide. Hij nam het hele stuk met mij door. Hier dit, daar dat. Toen ik de kamer uitliep was ik triest. Maar ik dacht ook, hij heeft het niet begrepen…’ Later werd het stuk ergens uitgevoerd. Hawar zat in de zaal en hoorde een man in de rij voor hem al na een minuut de melodie meezingen. ‘Hrisanide had gelijk, dacht ik toen. Mijn muziek is naïef. Ik ben teruggegaan en heb gevraagd of hij mij les wilde geven.’

De studie was zwaar. Het leven als vluchteling was verre van makkelijk. Zijn asielaanvraag werd afgewezen. Hij kreeg geen verblijfsvergunning, maar kon uiteindelijk toch blijven. Eerst op zijn studievisum, daarna omdat hij met vioolspelen en lesgeven in zijn eigen levensonderhoud voorzag. ‘Het niet hebben van een verblijfsvergunning heeft mij altijd achtervolgd. Het was psychisch moeilijk. Ik heb kansen gemist doordat ik niet kon reizen.’ Hawar werd door Daniel Barenboim uitgenodigd in het West-Eastern Divan Orchestra te komen spelen, maar hij mocht niet reizen. Hij won een prijs in Oslo voor zijn filmmuziek, maar kon die niet ophalen. Hij kon niet naar de VS toen de oud concertmeester van het Concertgebouworkest hem vroeg daar te komen studeren. ‘Vluchten is als een kankerbehandeling. Je bent van iets af, maar je krijgt iets anders. Je hoort nooit echt hier, maar ook niet meer daar. Maar, misschien is dat ook ergens goed voor’, zegt hij. ‘Ik heb een eigen kleur.’

In 2006 kreeg hij cum laude zijn bachelor titel viool. Twee jaar later behaalde hij ook zijn master met de hoogste onderscheiding. Viool én compositie. Hij vond werk aan de muziekschool en begon in professionele orkesten te spelen. Hij herinnert zich goed hoe hij bij Het Brabants Orkest voor het eerst de negende symfonie van Beethoven speelde. Hij was midden in de muziek die hij in de kelder in Irak zo eindeloos had beluisterd. ‘De tranen stroomden over mijn wangen. Het was alsof Beethoven tot mij sprak.’ Sinds begin 2014 heeft Hawar de Nederlandsche nationaliteit. Hij kreeg een paspoort.

Aan de ronde tafel in zijn huis in Tilburg slaat Hawar de partituur van zijn stuk open. Hij zet de muziek aan. Wijst met zijn vingers langs de notenbalken. Slaat de bladzijden om. ‘Het thema was vrijheid en democratie, maar ik zocht iets concreets… Bij Europa dacht ik aan drie dingen. De oude Grieken, met hun democratie die niet voor iedereen was, want ze hadden slaven. De bijbel, waar iedereen voor God gelijk is. En de Franse revolutie, die zegt, ja, iedereen is gelijk, maar niet door god of iets buitenaards, maar vanuit ons eigen menszijn.  Dat werd mijn inspiratie.’ Hawar benadrukt dat het alleen een uitgangspunt was. Iedereen mag in zijn muziek horen wat hij er zelf bij voelt. ‘Vroeger in Irak verstond ik niets van de tekst van het slotkoor in de negende Beethoven. En die symfonie werd er echt niet nóg mooier van toen ik later begreep waar de tekst over ging. Dat is de kracht van muziek.’

(Dit interview verscheen eerder in deKlank jaargang 4 nr.3 januari 2017)

Advertenties

Knuffelen met Mozart volgens Lachenmann

Helmut Lachenmann (geboren in 1935) laat orkestmusici de meest onverwachte geluiden en klankkleuren aan hun instrument ontlokken. Boven dat knisperende landschap van orkestgeluid breekt af en toe de hemel open. Dan hoor je een flard Mozart. Van een cd-speler.

‘Dat is hoe Mozarts muziek vandaag de dag tot ons komt’, vertelt Lachenmann. ‘Je bent onderweg en pikt een fragment op via de autoradio. Je loopt door een stad, ergens staat een raam open en in het voorbijgaan hoor je een paar maten Mozart. Ik hou zoveel van Mozart. Zijn muziek is het allermooist, maar als een lievelingspop is hij bijna kapot geknuffeld. Zó zit hij in mijn stuk.’

Lachenmann werkte deze week met musici van philharmonie zuidnederland aan zijn Accanto voor klarinet en orkest uit 1975. Zijn stuk is gedurfd en opwindend zoals hedendaagse muziek behoort te zijn. Het resultaat is donderdagavond 5 november in de Bosch te horen tijdens November Music.